Handelingen van de
Koninklijke commissie voor

Bulletin de la
Commission Royale de

TOPONYMIE & DIALECTOLOGIE

Jaarverslag
2010



Mevrouw de Minister,


De Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie vervult haar wetenschappelijke opdracht onder de hoge bescherming van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten en de Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique.
Het wetenschapsdomein van de Commissie is de studie van de onomastiek (toponymie en antroponymie) en de dialectologie, vooral in België en zowel op Germaans als op Romaans gebied. Daartoe geeft ze wetenschappelijke studies (Handelingen, Werken, Overdrukken) over deze disciplines uit. De Commissie is eveneens een wetenschappelijk adviesorgaan waarop de overheid regelmatig een beroep doet.

Statutaire vergaderingen

De statutaire vergaderingen hebben plaatsgehad in de lokaliteiten van het Paleis der Academiën in Brussel (Hertogsstraat 1), op 25 januari, 31 mei en 25 oktober 2010. Er werden zes sectiever­gaderingen gehouden (in elk van de twee secties telkens op 25 januari, 31 mei en 25 oktober 2010), een plenaire vergadering (op 25 januari 2010) en een (gemeenschappelijke) bestuursverga­dering op 31 mei en 25 oktober 2010.

Buitengewone vergadering

Een buitengewone vergadering van leden van de Vlaamse afdeling had – eveneens het Paleis der Academiën in Brussel – plaats op 5 maart 2010. De bijeenkomst was een redactievergadering ter voorbereiding van het Verklarend woordenboek van de Vlaamse gemeentenamen (Vlaams en Hoofdstedelijk Gewest Brussel).

Lezingen gehouden op de plenaire vergadering

Bernard Roobaert, Traductions erronées et maladroites dans les noms de rues de la région d'Enghien.

Frans Debrabandere, Het nieuwe ’Etymologisch woordenboek van het Nederlands’.

Will Pijnenburg zette in de tweede helft van de jaren tachtig aan het Leidse Instituut voor Nederlandse Lexicologie het EWN op en droeg begin 1990 het project aan Marlies Philippa over. Het project kreeg de naam Kiliaanproject, naar de 16de-eeuwse Brabantse lexicograaf Cornelius Kilianus ofte van Kiel. Marlies vormde allereerst een hoofdredactie en zocht daarvoor de Nederlander Aad Quak en een Vlaming, Frans Debrabandere, aan.. Op 1 april 2006 werd de hoofdredactie uitgebreid met Tanneke Schoonheim en Nicoline van der Sijs. Het doel was een goed, degelijk, wetenschappelijk en toch leesbaar etymologisch woordenboek van het Nederlands tot stand te brengen, gebruik makend van de laatste wetenschappelijke inzichten en informatiebronnen. Zulke nieuwe inzichten zijn bv. de laryngaaltheorie, de substraattheorie en de wet van Kluge. Er gaat speciale aandacht naar de oudste dateringen, de vorm- en betekenisontwikkeling en de woordgeschiedenis.
Oorspronkelijk zouden er zeven delen zijn, waarvan het eerste al in 1997 had moeten verschijnen. Maar vanwege de problemen met de financiering is het 2003 geworden en i.p.v. zeven zouden het vier delen worden. In 2005 kwam het EWN onder de vleugels van het INL, waarmee de financiële zorgen van de baan waren. Maar de kredieten reikten slechts tot eind 2009, wat betekent dat het hele woordenboek eind 2009 af moest zijn. Dat had hele nare gevolgen voor het woordenboek. Talrijke woorden werden geschrapt. Zelfs hele bekende woorden, zoals sperwer, spreeuw, zwaluw, ontbreken. Lemma’s, die door spreker al geschreven waren, zoals kwansuis, maatjespeer, made ‘weiland’, marketentster, placenta, poelepetaat, werden niet opgenomen. Dat euvel had vermeden kunnen worden, als afgezien was van volkomen vreemde woorden, zoals fan, gadget, gag, en van samenstellingen en afleidingen. Er komen geen gedrukte delen of aanvullingen meer. Maar correcties en aanvullingen zullen op de website worden bijgehouden: www.etymologie.nl.

Lezingen gehouden in de Vlaamse afdeling

Paul Kempeneers, Oude huisnamen in Aarschot.

Met intensief archiefonderzoek slaagde P. Kempeneers erin om de meeste panden met een oude huisnaam exact te lokaliseren. Hierbij gebruikte hij de methode die hij toepaste voor de beschrijving van de oude huisnamen in Tienen (1999), Landen (2000) en Zoutleeuw (2003). In augustus 2009 publiceerde Kempeneers een boek over de plaatsnamen in Aarschot. Ook in dit boek worden huisnamen beschreven (p. 173-235). In zijn lezing plaatste hij de huisnamen van Aarschot echter in een bredere context. Zo wordt duidelijk dat dezelfde namen in een groot gebied van de Nederlanden (en ook daarbuiten) in gebruik waren. De huisnamenvoorraad valt uiteen in twee grote categorieën: de natuurlijke en de fantasierijke huisnamen.

1. Natuurlijke namen. In de eerste plaats werd een huis genoemd naar de bezitter, zoals De Refugie van Sint-Geertruiden, Het Colvershof (eigenaar Colvers), Het Stadpaanhuis (brouwerij van de stad), Het Guldenhuis (huis van de Sint-Sebastiaansgilde).
De functie van een gebouw is duidelijk in De Lakenhalle en Het Vleeshuis.
Voorwerpen stonden symbool voor het beroep van de bewoner: De Ring (goudsmid), De Laars (laarzenmaker), De Ketel (brouwer en herbergier), De Mortier (apotheker). Ook namen als De Sikkel, De Spiegel, De Wan, De Ploeg, De IJzeren Pot, enz. verwijzen naar beroepen.
De Voetboog en De Handboog herinneren aan de schuttersgilden.

2. Fantasierijke benamingen. Inheemse zoogdieren komen voor in: Het Hert, De Hazewind, De (Rode) Haan, De Bonten Os, De Blauwe Hond en Het Lammeken. Aan vogels herinneren De Pelikaan, De Zwaan, De Valk, Het Eksterken, De Duif, De Kraai, De Ooievaar en De Arend. Aan exotische en mythologische diersoorten ontleend zijn: De Leeuw, De Draak en De Papegaai. Ze komen niet zelden uit de heraldiek of uit de literatuur. Ook plantnamen worden vaak aan de heraldiek ontleend: De Lelie, De Roos, De Wijngaardrank, De Palmboom.
Typische herbergnamen zijn: De Horen, De Helm, De Lanterne en De Kroon.
Een aparte groep vormen hemellichamen: De Zonne, De Halve Maan en De Sterre.
De invloed van de godsdienst blijkt uit de talrijke bijbelse motieven als: Het Paradijs, De Driekoningen, Het Hemelrijk, Bethlehem, De Zoete Naam (Jezus), De Paaskaars, De Engel, De Papenkelder, De Bekeerde Zondaar en heiligennamen als Sint-Jacob, Sint-Huibrecht en Sint-Christoffel.
Allerlei personages versierden onze gevels: Morianen of Moren (tabakswinkels), De Wildeman, De Keizer, De Koning van Spanje, De Hertog van Arenberg.
Zeldzamer zijn namen van lichaamsdelen als De Kromme Elleboog of namen van vreemde gebouwen (Het Oud en Het Nieuw Kasteel van Namen). Uniek is de naamgeving naar een salon: De Salet.

In veel gevallen worden de grondwoorden uitgebreid met een bijvoeglijke bepaling. Hieronder vormen de kleuradjectieven de belangrijkste. Voorbeelden zijn: De Blauwe Ring, De Witte Leeuw, De Bruine Baard, De Rode Haan, Het Groen Hert, De Zwarte Lelie, De Bonten Os, De Gulden Zonne. Bekend is de differentiatie met groot-klein, vooral ontstaan door splitsing: De Grote en De Kleine Keizer. Belangrijk is de oude getallensymboliek: De Drie Kronen, Twaalf-Apostelenhuis en De Vierheemskinderen.


Jan Goossens, Het Maastrichts als doodgraver van de Zuid-Limburgse dialecten.

Het thema van zijn bijdrage is de destructieve rol van het Maastrichts in de wijziging van de structuur der Zuid-Limburgse dialecten. De stelling is de volgende. Maastricht heeft door de overname en de verspreiding van taalverschijnselen van elders het Zuid-Limburgse dialectlandschap uitgehold en, aangezien dit aan de zuidkant door de Germaans-Romaanse taalgrens wordt afgebroken, het herhaaldelijk in twee stukken uit elkaar doen vallen, die elk hun eigen weg konden gaan. Dit is gebeurd wanneer een vernieuwing ten zuiden van de stad de nabije taalgrens bereikte.
De Maastrichtse vernieuwingen zijn in oorsprong Hollandse of algemener: standaardtalige evenals Brabantse verschijnselen waaraan de lokale taalgemeenschap een meerwaarde toekende. Door hun overname werd het Maastrichts telkens wat minder Limburgs en integreerde het wat meer in het Nederlands. Dat geldt dan uiteraard ook voor de Zuid-Limburgse dialecten die de Maastrichtse vernieuwing overnamen. Dat het voor een aanzienlijk deel om Hollands-Nederlandse verschijnselen gaat, is evident voor wie bedenkt dat Maastricht nu al 170 jaar deel uitmaakt van het Nederlandse staatsverband, dat in die tijd altijd hechter is geworden. Maar in de eeuwen daarvoor scheen het licht vooral vanuit het westen. Zelfs bij zijn aanzet tot verfransing in de 19e eeuw heeft de stad misschien nog meer dat licht uit Brussel dan uit Luik gehaald.

Jozef Van Loon, Caesar en Tacitus over de oudste Germanen in de zuidelijke Nederlanden.

De tekst is verschenen in de Handelingen LXXXII (2010): 325-362 als: Neue Erkenntnisse und Hypothesen über die Germanenstellen bei Caesar und Tacitus.

Hugo Ryckeboer, Verslag over de voortgang in 2010 van het Verklarend Woordenboek van de Vlaamse Gemeentenamen.

De in 2009 (cfr. jaarverslag 2009) tot één alfabetisch corpus geïntegreerde tekst kon verder geharmoniseerd worden. Er werd contact opgenomen met de uitgeverijen UGA (Kortrijk) en Davidsfonds (Leuven) en hun verzocht een ontwerp van auteurscontract voor te stellen. Op de buitengewone vergadering van de Vlaamse afdeling van de Commissie d.d. 5 maart 2010 wordt beslist de uitgave van het woordenboek aan het Davidsfonds toe te vertrouwen – op voorwaarde dat aan enkele secundaire details tegemoetgekomen wordt.
Het Davidsfonds heeft zich goed aan zijn afspraken gehouden en een professionele mediacampagne gevoerd; dat heeft elk auteur de kans gegeven om in eigen regio uitvoerig toelichting te geven over het project en het boek tevens aan te bevelen. Bij de plechtige opening van de Antwerpse boekenbeurs op 30 oktober 2010 is het prominent aanwezig; de uitgeverij van de Davidsfonds bevestigt dat de verkoop zeer gunstig verloopt.
Bibliografische gegevens: F. Debrabandere, M. Devos, P. Kempeneers, V. Mennen, H. Ryckeboer, W. Van Osta i.s.m. de Vlaamse Afdeling van de KCTD, De Vlaamse gemeentenamen. Verklarend woordenboek. Davidsfonds Leuven 2010. Tevens verschenen als Werk 28 van de Vlaamse Afdeling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie & Dialectologie. 331 blzn, hard cover. Besteladres: Davidsfonds, Blijde-Inkomststraat 79, BE-3000 Leuven.

Lezingen gehouden in de Waalse afdeling

In de Waalse afdeling werden drie lezingen gehouden.

Een eigen website

De leden zijn het eens over de noodzaak hun eigen website voortdurend te actualiseren (www.toponymie-dialectologie.be). Het resultaat moet de wetenschappelijke resp. adviserende werkzaamheden van de Commissie en de individuele wetenschappelijke activiteiten, publicaties en internationale contacten van haar leden reflecteren. De leden zijn verzocht regelmatig hun actualiseringsvoorstellen bij de webmaster in te dienen.
Van de website wordt ook gebruik gemaakt om de klassieke publicaties van de Commissie aan te vullen. Zo verwijzen links in veel gevallen naar (anderstalige) samenvattingen van bijdragen of naar moeilijk publiceerbare toponymische kaarten.

Een redactieraad

De leden van de beide secties van de Commissie voor Toponymie & Dialectologie hebben voor het tijdschrift van de vereniging (Handelingen / Bulletin) een (gemeenschappelijke) redactieraad (Fr.: ‘comité de lecture’) opgericht. Dit externe wetenschappelijke comité bestaat uit de volgende elf buitenlandse leden: Eva Buchi, Jean-Pierre Chambon, Georg Cornelissen, A.C.M. Goeman, Ludger Kremer, Wulf Müller, Bertie Neethling, Hermann Niebaum, Damaris Nübling, Jean-Louis Vaxelaire en Stefan Zimmer. Deze ‘peer reviewers’, experts in de diverse wetenschapsdisciplines die in de publicaties van de commissie beoefend worden, zullen samen met het eigen redactieteam (de leden van de Commissie) het uitmuntende wetenschappelijke gehalte van het tijdschrift bewaken en garant staan voor een hoge internationaal geldende bibliometrische ranking.

Bestuur en ledenbestand

De tweejaarlijkse verkiezingen hadden in de Commissie plaats tijdens de sectievergaderingen en in de plenaire zitting van 25 januari 2010. Het bestuur voor de periode 2010 & 2011 is als volgt samengesteld:
Vlaamse afdeling

Waalse afdeling Bestuur van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie – Commission royale de Toponymie et de Dialectologie

Op zaterdag 6 februari 2010 overleed in zijn woning te Herent het lid van de Vlaamse afdeling Karel Roelandts. Het bestuur van de Vlaamse afdeling heeft op zijn vergadering van 25 oktober 2010 de heer Ronny Keulen als nieuw lid van de Koninklijke Commissie voor Toponymie & Dialectologie voorgedragen.

Publicaties

De Handelingen LXXXII (2010) telden 362 bladzijden. Ze werden geruild met een aantal tijdschriften en weten­schappelijke instellin­gen. De door aankoop of ruil verkregen werken zijn in onze bibliotheek (Paleis der Academiën, Hertogsstraat 1 te Brussel) gedeponeerd. vijftig exemplaren werden de wetenschappelijke centra van de Belgische universiteiten ten behoeve van onderzoekers en studenten ter be­schikking gesteld.

De studie De Genker toonaccenten en hun geografische inbedding van Jan Goossens verscheen als Werk 27 van de Vlaamse afdeling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie & Dialectologie n.a.v. diens tachtigste verjaardag, met een voorwoord en een bibliografie door José Cajot (VI + 212 p.).

Werk 28 van de Vlaamse Afdeling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie & Dialectologie verscheen in een uitgave van het Davidsfonds Leuven als: F. Debrabandere, M. Devos, P. Kempeneers, V. Mennen, H. Ryckeboer, W. Van Osta i.s.m. de Vlaamse Afdeling van de KCTD, De Vlaamse gemeentenamen. Verklarend woordenboek. (331 p.).
Het woordenboek is het eerste standaardwerk over alle 1230 gemeentenamen van het Vlaamse Gewest en Brussel vóór de gemeentelijke herindeling van de jaren 1970. Het biedt de lezer een wetenschappelijk verantwoorde etymologische verklaring, opgave van de oudste attestaties en van de ter zake betrouwbare litteratuur. Het werk is leesbaar voor de geïnteresseerde leek en – door de ontsluiting van de bronnen –volledig bruik- en controleerbaar voor de wetenschappelijk onderzoeker.

Advisering

Inzake straatnaamgeving werd de Commissie in 2010 door talrijke Brusselse, Waalse en Duitstalige gemeenten geraad­pleegd. Ook de Vlaamse afdeling ontving talrijke aanvragen uit Vlaanderen en Brussel.
Gedurende het jaar 2010 heeft het Nationaal Geografisch Instituut, Abdij ter Kameren 13, 1000 Brussel, een beroep gedaan op Willy Van Langendonck (K.U. Leuven, Instituut voor Naamkunde en Dialectologie, Blijde-Inkomststraat 21, kamer 3308, 3000 Leuven) voor advies over schrijfwijze en vorm van toponiemen uit diverse Vlaamse gemeenten. Verder antwoordde hij op vragen om advies uit de gemeenten Rijmenam, Ingelmunster en Sint-Agatha-Berchem.
Ward Van Osta heeft drie adviezen uitgebracht bij de toekenning van straat- c.q. pleinnamen in Brasschaat.
Paul Kempeneneers heeft in Tienen, Aarschot en omgeving diverse malen advies verstrekt bij de naamgeving pleinen en straten.

Internationale contacten en samenwerkingsverbanden

De Vlaamse afdeling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie verleende haar organisatorische en inhoudelijke medewerking aan het 36e Nederlands-Vlaamse congres van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde onder de titel “Dialecten, namen en geschiedenis op de grens van het Limburgs en het Brabants” (Beringen, 27 november 2010).

Aan Jan Goossens werd n.a.v zijn tachtigste verjaardag door de stad Genk op 10 maart het ereburgerschap, en – op voordracht van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde – op 8 oktober door het Algemeen Nederlands Verbond de Visser-Neerlandiaprijs toegekend. In beide druk bijgewoonde academische zittingen hield hij een korte lezing: te Genk over de tweetonigheid van zijn Limburgse dialect en te Hasselt over de ontwikkeling van de bovenregionale omgangstaal in Vlaanderen.
Hij nam op 7 mei 2010 deel aan het colloquium ‘Neuere Forschungen zur deutschen Dialektgeografie’ dat door de Kommission für Mundart- und Namenforschung Westfalens te zijner ere in Münster georganiseerd werd.

José Cajot nam deel aan: ‘De Manke Usurpator: Studie- en discussiedagen over het Verkavelinsvlaams’ (Universiteit Antwerpen, 18-19 oktober 2011), waar hij de slotvoordracht hield met de titel: “Geen accident de parcours. Waarom het ontstaan van het Verkavelingsvlaams onvermijdelijk was”.

Ronny Keulen hield de lezing “On mergers and non-mergers in some southeastern Dutch dialects” op de 31e TABU-dag (3-4 juni 2010, Rijksuniversiteit Groningen).
Op de ‘Taaldag van de Belgische Kring voor Linguïstiek’ (Université Libre de Bruxelles, 8 mei 2010) voerde hij het woord over “Transcribenteneffecten en hun methodologische gevolgen”.
Aan de Universitet Stockholms woonde hij van 9 tot 11 september 2010 de “4th European Conference on Tone and Intonation” bij met de lezing “Re-analysing some tonal deviations in western Fraconian dialects.
Op het congres van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde (Beringen, 27 november 2010) hield hij de voordracht: “Woorden en klanken op de grens van het Limburgs en het Brabants”.

Ann Marynissen heeft in 2010 de volgende voordrachten gehouden:
“Geschiedenis van de neerlandistiek in Keulen” op de bijeenkomst van docenten Nederlands in het Duitse taalgebied (Keulen, 5-6 maart 2010);
“Belgisch-Nederlands: het standpunt van de buitenlandse neerlandistiek” op het colloquium ‘Belgisch Nederlands in het spanningsveld tussen Verkavelingsvlaams en standaardtaal’, georganiseerd op 29 april 2010 te Gent door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en de U.C. Louvain;
“Hulde aan Luc Van Durme” (bij haar installatie in de KANTL, Gent 16 juni 2010);
“Oost-Nederlandse familienamen” voor de commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij voor Nederlandse Letterkunde (Leiden, 27 oktober 2010) en in de KANTL (Gent, woensdag 17 november 2010).

Vic Mennen nam deel aan het congres van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde (Beringen, 27 november 2010) met een toponymische lezing, getiteld: “Nederzettingsnamen in het stroomgebied van de Zwarte Beek en de Mangelbeek”.

Jacques Van Keymeulen gaf aan de Universiteit Wroclaw (Polen) van 5 tot 12 april 2010 een aantal gastcolleges over het Afrikaans resp. over Nederlands-Vlaamse cultuurverschillen, en aan de Universiteit Göteborg (Zweden) van 20 tot 25 mei over Fries en Afrikaans.
Aan de Universiteit Gent gaf hij aan een gezelschap van studenten uit Zürich een les, getiteld “A short history of Dutch” (11.06.2010).
Op 17 juni 2010 hield hij op de ‘Fifth International Conference on Historical Lexicography and Lexicology’ te Oxford de voordracht: “Dialect lexicography for the southern Dutch Dialects”.
Samen met Veronique De Tier leverde hij op de 14de EURALEX-conferentie (European Assiociation for Lexicography) te Leeuwarden (7 juli 2010) drie bijdragen over de dialectwoordenboekprojecten van het Nederlandse taalgebied.
Op de conferentie ‘Stretching the boundaries, centering the marginal’ (december 2010 in Kiev, Oekraïne) hield hij de lezing: “Between northern and southern Europe: languages in the Low Countries”

Willy Van Langendonck hield de voordracht “Is name formation a form of grammaticalization?” in – en was tevens voorzitter van – de sectie Linguistic Approaches to Naming op de ‘Annual Meeting of the American Name Society’ (Baltimore, Maryland, USA, 7-10 januari 2010.
Op het internationaal congres ‘The Grammar of Proper Names – A Typological Perspective’, georganiseerd door de Johannes-Helmbrecht-Universität Regensburg (7-8 oktober 2010) hield hij de keynotetoespraak met de titel: “Proper name theory and three anthropocentric clines”.
Aan het ‘16th International Congress of the Names Society of Southern Africa’ (Club Mykonos, Langebaan, Kaapstad) nam hij deel met de voordracht “Motivations in nicknames for Flemish teachers”.

Bram Vannieuwenhuyze verzorgde twee lezingen i.s.m. Paulo Charruadas, Yannick Devos & Luc Vrydaghs: “The Landscape of Medieval Urbanisation: Brussels and its Environment” op de ‘1st International Conference on Landscape Archaeology’ (Amsterdam, 26-28 januari 2010) en “Het landschap van de middeleeuwse stadsontwikkeling: Brussel en haar omgeving”, op ‘Archaeologia Mediaevalis 33’ (Brussel, 12-13 maart 2010).
Met Cyril Carton hield hij de voordracht “De stad op de kaart: een diepgaande analyse van het stadsplan van Oudenaarde van Jacob van Deventer” (Stadsarchief Oudenaarde, 26 maart 2010) en met Jelle De Rock “Medieval urban towers: stairways to heaven or architectural dominoes?” (op de ‘Eighth European Social Science History Conference’, Gent, 13-16 april 2010).
Op het ‘10th International Conference on Urban History’ (Gent, 1-4 september 2010) hield Bram Vannieuwenhuyze de lezing “Profiling and ranking urban districts: the case of 15th- and 16th-century Brussels. Bij dezelfde gelegenheid, maar i.s.m. Michaël Limberger & Wouter Ronsijn: “Four cornerstones for historical urban topography in the Low Countries. A methodological survey on four map corpuses and their potential for urban history’.
Op de workshop van HEnRI (‘Histoire de l’environnement-Réseau interdisciplinaire’) verzorgde hij de bijdrage “Toponymes urbains et actions de défrichement: le cas de la ville de Bruxelles’ (Namen, 1 oktober 2010); in het kader van de ‘Medieval Seminar Series van het H. Pirenne Institute for Medieval Studies’ (Gent, 16 november 2010) de voordracht: “The ‘Belgian’ and ‘French’ town plans of Jacob van Deventer”; i.s.m. . Paulo Charruadas en Philippe Sosnowska op de studiedag ‘800 jaar Kapelleparochie, Brussel’ (19 oktober 2010) de lezing: “Le quartier et la paroisse de la Chapelle: genèse, développements urbanistiques et patrimoine architectural (XIIe-XVIIIe siècle) – De Kapellewijk en -parochie in Brussel: ontstaan, stedenbouwkundige ontwikkeling en architecturaal erfgoed (XIIe-XVIIIe eeuw).


Brussel, december 2010