Handelingen van de
Koninklijke commissie voor

Bulletin de la
Commission Royale de

TOPONYMIE & DIALECTOLOGIE

Jaarverslag
2016


Brussel, 31 december 2016


Geachte Mevrouw Staatssecretaris,

 

De Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie vervult haar wetenschappelijke opdracht onder de hoge bescherming van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten en de Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique.

Het wetenschapsdomein van de Commissie is de studie van de onomastiek (toponymie en antroponymie) en de dialectologie, vooral in België en zowel op Germaans als op Romaans gebied. Daartoe geeft ze wetenschappelijke studies (Handelingen, Werken, Overdrukken) over deze disciplines uit en onderhoudt contacten met binnen- en buitenlandse instituties die in dezelfde domeinen actief zijn.

Niet in de laatste plaats is de Commissie een wetenschappelijk adviesorgaan waarop de overheid regelmatig een beroep doet en in talrijke gevallen daartoe overigens verplicht is.

 

Statutaire vergaderingen

De statutaire vergaderingen werden vastgelegd om plaats te hebben op 25 januari, 30 mei en 24 oktober 2016 in de lokaliteiten van het Paleis der Academiën in Brussel (Hertogsstraat 1). De bijeenkomst van 30 mei is echter niet kunnen doorgaan wegens een aangekondigde landelijke treinstaking. Er hebben vier sectiever­gaderingen plaatsgenomen: in elk van de twee secties telkens op 25 januari en 24 oktober 2016. De plenaire (gezamenlijke) vergadering van de beide secties werd op 25 januari 2016 gehouden en de (gemeenschappelijke) bestuursverga­dering op 24 oktober 2016.

 

Buitengewone vergaderingen van beide secties met het Nationaal Geografisch Instituut

Er werden twee vergaderingen belegd van zowel de Waalse als de Vlaamse afdeling van de Commissie met (topambtenaren van) het Nationaal Geografisch Instituut (NGI) die op 14 september resp. 3 oktober 2016 plaatsgrepen.

Het NGI verzocht de Commissie om haar medewerking bij de geactualiseerde uitgave van de Topografische kaart op schaal 1/25000. Er werden o.a. concrete afspraken gemaakt over de procedures bij de controle en de verantwoorde aanpassingen van orthografie en morfologie der toponiemen.

 

Lezingen gehouden op de plenaire vergadering

Pierre Van Nieuwenhuysen, Contacts romans (français) – thiois à Molenbeek-Saint-Jean

Jozef Van Loon, Lanaken en de geschiedenis van de vroegste Franken en Merovingen

De Limburgse plaatsnaam Lanaken is een historisch gedenkwaardig toponiem. Traditioneel wordt hij verklaard als een naam op –iniaca(s), maar klankwettig is dat onmogelijk, omdat hij dan umlaut moet vertonen. Hetzelfde bezwaar geldt voor talloze Franse toponiemen die met het suffix worden gereconstrueerd. Bij vele, zoals Bracquegnies, Flacquegnies, Franquenée ontbreekt de assibilatie. Zij moeten daarom met een suffixvariant –oniacas worden gereconstrueerd, die ook recht doet aan de oorsprong van deze jongere namen uit Germaanse persoonsnamen op –o. Een nauwkeuriger onderscheiding van de vele suffixvarianten die teruggaan op het Keltische ākos-suffix, maakt het mogelijk deze namen nauwkeuriger te periodiseren, van late prehistorie tot Vroegkarolingische tijd. Tot de oudste behoren de niet talrijke Franse namen op –ai waarbij geen assibilatie optreedt (Tournai, Bavay enz.).

Lanaken is een Germaans-Keltische naam, die te reconstrueren is als *Hluþenākōm, een naamformatie die wellicht uit de tweede eeuw n.C. dateert. Het eerste deel van het toponiem bevat de naam van de Germaanse godin Hluthena, die in de Romeinse tijd vooral werd vereerd in het gebied van de Sugambri. Het is tevens het kenmerkende naambestanddeel van de Merovingische dynastie die uit die stam is voortgekomen. Van de oudst bekende naamdrager, Chlodio, wordt aangetoond dat hij voluit Chlodebaudes heette, een naam die alleen voorkomt in enkele genealogieën die tot nu onbetrouwbaar werden geacht. Het artikel gaat zijdelings ook in op de etymologie van de namen Liedekerke, Luik, Montenaken, Salii, Sinnich, Thüringen en Vicus Helena.

Het artikel verschijnt in Verslagen en Mededelingen van de KANTL 2016.

 

Lezingen gehouden in de Vlaamse afdeling

Jan Goossens, Een onfatsoenlijk hoofdstuk en zijn nasleep

De spreker beschrijft in eerste instantie de weerstand die hij in drie gevallen (zowel in Nederland en Vlaanderen als in Duitsland) ervoer – telkens als hij een wetenschappelijke bijdrage ter publicatie aanbood die over de terminologie van de bronst bij dieren op de boerderij (Duits: Nutztiere) handelde. Hij schrijft die terughoudendheid toe aan het hardnekkige taboe dat tijdens de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw nog in burgerlijk-intellectuele kringen op de uitspreekbaarheid van het geslachtelijke rustte.

Op een enigszins andere gêne betrapte hij Hendrik van Veldeke in de Eneide: “de vrome middeleeuwer Hendrik van Veldeke, die kennelijk meer last had van het religieuze dan van het seksuele taboe, schuwde zich wel om een door hem herkende gelijkenis tussen een dekhengst en de Heilige Geest onder woorden te brengen”. Ook de scribenten van twee Eneide-handschriften hadden last met de paarden van Mesapus; zij losten hun problemen met de lastige episode anders op: ze sloegen de taboeverzen over.

De lezing (met het hierboven vermeld citaat) werd opgenomen in de KCTD-Handelingen jg. LXXXVIII (2016), 43-55).

 

Frans Debrabandere, Vlaamse etymologische correcties

Spreker is de auteur van vijf etymologische dialectwoordenboeken, nl. over het West-Vlaams, Oost-Vlaams, Zeeuws, Brabants en Limburgs. Ze verschenen van 2002 tot 2011. In die woordenboeken komen ook wel voorlopige etymologische verklaringen voor, die achteraf gissingen bleken te zijn en die een correctie behoefden. Ze werden in een volgend woordenboek meestal rechtgezet en nu samengebracht en in één overzicht aangeboden.
Het gaat om de woorden: ankoleur, averulle, berdellewortel, dremmelen, entwa(t), (h)erse, ferneel, fichu, fijntig, guzzelen, harrig, keppe, klasseneren, krinse, majeu, meeps, ralie, ree, renure, tengel/tingel, tjeef/djeef, tornementen/torrementen, uvallig/uivallig/ivallig, vigeleren/figeleren, vooie/voei.

De lezing wordt integraal gepubliceerd in de KCTD-Handelingen, jg. LXXXIX (2017). Hieronder volgt een selectie van vijf trefwoorden.

dremmelen ‘draven, trappelen’ (DE BO1), ‘slenteren, talmen’ (Dadizele) werd in WEW, OEW verklaard als frequentatief van Mnl. dremmen ‘kwellen, drukken’ en vergeleken met Ndd. drämmeln, dremmeln ‘dringen, stoten, drijven’ en Ndl. bedremmelen ‘in het nauw brengen’. Voor Zeeuws dremmelen ‘dribbelen van het ene been op het andere’ gaf ik in ZEW de voorkeur aan een variant van drebbelen ‘trappelen, trippelen, dribbelen’¸ frequentatief van drabben ‘op een drafje lopen’, een intensivum van draven. Dremmelen/drebbelen vertonen de frequente wisseling van bilabialen m/b, vgl. Wvl. mesanden/besanden, marmite/bermite.

keppe ‘lieveling, geliefde, bijzit’ heb ik in WEW in verband gebracht met Middelhoogduits kebes(e), kebse, Duits Kebse ‘bijzit’. Ook Kiliaan vermeldt als vetus kebisse, kebse, kevisse, kebs wijf ‘concubina, adultera’. Luc de Grauwe2 geeft evenwel de voorkeur aan Mnl. kempe ‘bijzit’, door assimilatie mp > pp. Maar ik ken geen enkel voorbeeld van regressieve assimilatie mp > pp of mb > bb, wel mm < mb, vergelijk emmer < ember <Lat. ampora, lommer < l’ombre, lommerd < Lombard. Bovendien vraag ik me af of kempe eigenlijk wel ‘bijzit’ betekend heeft. Een etymologische verklaring van kempe als ‘bijzit’ lijkt me trouwens heel moeilijk. Het komt me voor dat de betekenis die aan het Vroegnieuwnederlandse3 woord kempe werd toegekend, berust op een verkeerde interpretatie van het eerste lid in de samenstelling kempekind, dat Kiliaan identificeert met kebskind en vertaalt als ‘nothus’, d.i. ‘bastaard’. Maar 4ook een bastaard is niet alleen kind van een bijzit, van een moeder, maar ook van een vader. Een duidelijk argument hiervoor vond ik in het Middelnederlands Woordenboek van Verwijs-Verdam (III, 1300-1302), waar i.v. kempe ‘kamper, vechter, (maar ook) strijder’ en na de titel van onrechten kinderen de volgende twee teksten – alweer uit de Sassenspiegel – voorkomen: kempen ende hore kynder, spillude ende alle die onrechte geboren syn, die syn alle rechteloos; kempen ende haren kynderen gheft men te boeten den blic van eenen campscilde. We weten trouwens dat kunstenmakers, jongleurs, speellieden en vechters in de middeleeuwen een slechte reputatie hadden, zodat we veilig mogen besluiten dat een kempekind veeleer het kind van zo’n kampvechter was. Mnl. kempe heeft m.i. nooit ‘bijzit’ betekend.

ree (Wvl., Ovl., Zeeuws) ‘afwateringsslootje’. Aan de beschouwingen in WEW, OEW heb ik in ZEW de volgende hypothese toegevoegd: ‘M.i. veeleer ablautend naast Mnl. rie ‘lijn, streep, rij’, Mhd. rihe ‘lijn, smalle gang, geul’, naast – met grammatische wisseling – Mhd. rige ‘lijn, rij, watersloot’, Oudengels râw, Engels row ‘rij’. Indo-Germaans *rei ‘rijten, snijden’.

tjeef, djeef, zeef ‘katholiek, m.n. voorstander van de katholieke partij’ (Ovl.). Het woord gaat inderdaad terug op Fr. Joseph (OEW), maar L. De Grauwe5 specificeert: ‘in de tweede … betekenis verwijst de naam naar de geboren Ieperling Louis Joseph Delebecque, bisschop van Gent in de periode 1838-1864, fervent voorvechter van de conservatief-katholieke politieke partij in België en gematigd ultramontaan, die nog een herderlijke brief heeft geschreven tegen de volgens hem al te liberale Gentse universiteit’.

vigeleren, figeleren ‘(ergens over) prakkezeren, verzinnen, zijn best doen, propaganda maken; ergens op wachten, loeren, flaneren, drentelen’ (Zeeuws-Vlaams). Eerst (OEW, ZEW) verklaard uit figureren ‘uitbeelden, zinnebeeldig voorstellen, optreden’, met wisseling van de liquidae r/l. Maar de Brabantse varianten vigileren, vizileren ‘naspeuren, nagaan, bespreken, toezien, bespieden, uitdenken’ (BEW) verwijzen veeleer naar Middelfrans vigiler, 1530 vigiller ‘waken’ < Latijn vigilare.

 

Lezingen gehouden in de Waalse afdeling

In de Waalse afdeling werden twee lezingen gehouden:

Etienne Renard, La nouvelle version en ligne des Diplomata Belgica.
   (http://www.diplomata-belgica.be)

Jean Germain, Les noms d'enfants trouvés en Wallonie à la charnière des 19 et 20e siècles

 

Een eigen website

De leden zijn het eens over de noodzaak hun eigen website voortdurend te actualiseren (www.toponymie-dialectologie.be). Het resultaat moet de wetenschappelijke resp. adviserende werkzaamheden van de Commissie en de individuele wetenschappelijke activiteiten, publicaties en internationale contacten van haar leden reflecteren. De leden zijn verzocht regelmatig hun actualiseringsvoorstellen bij de webmaster in te dienen.

Van de website wordt ook gebruik gemaakt om de klassieke publicaties van de Commissie aan te vullen. Zo verwijzen links in veel gevallen naar (anderstalige) samenvattingen van bijdragen of naar moeilijk publiceerbare toponymische kaarten.

 

Een redactieraad

De leden van de beide secties van de Commissie voor Toponymie & Dialectologie hebben voor het tijdschrift van de vereniging (Handelingen / Bulletin) een (gemeenschappelijke) redactieraad (Fr.: ‘comité de lecture’) opgericht. Dit externe wetenschappelijke comité bestaat uit de volgende elf buitenlandse leden: Eva Buchi, Jean-Pierre Chambon, Georg Cornelissen, A.C.M. Goeman, Ludger Kremer, Wulf Müller, Bertie Neethling, Hermann Niebaum, Damaris Nübling, Jean-Louis Vaxelaire en Stefan Zimmer. Deze ‘peer reviewers’, experts in de diverse wetenschapsdisciplines die in de publicaties van de commissie beoefend worden, zullen samen met het eigen redactieteam (de leden van de Commissie) het uitmuntende wetenschappelijke gehalte van het tijdschrift bewaken en garant staan voor een hoge internationaal geldende bibliometrische ranking.

 

Bestuur en ledenbestand

Voor de opvolging van Roxane Vandenberghe, die op 26 oktober 2015 ontslag nam, werd Reinhild Vandekerckhove op grond van haar bibliografie en curriculum vitae op de statutaire vergadering 25 januari 2016 bij geheime stemming tot nieuw lid verkozen.

De tweejaarlijkse verkiezingen hadden in de Commissie plaats tijdens de sectievergaderingen en in de plenaire zitting van (eveneens) 25 januari 2016. Het bestuur voor de periode 2016 & 2017 is als volgt samengesteld:
Vlaamse afdeling:
   Voorzitter: Joze Van Loon
   Secretaris: Victor Mennen
Waalse afdeling:
   Voorzitter: Esther Baiwir
   Secretaris: Jean Germain
Bestuur van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie – Commission royale de Toponymie et de Dialectologie
   Algemeen voorzitter: Jacques Van Keymeulen
   Algemeen ondervoorzitter: Esther Baiwir
   Algemeen secretaris: José Cajot
   Leden: Jean Germain en Victor Mennen

 

Publicaties

– Handelingen/Bulletin

De Handelingen LXXXVIII (2016) tellen 311 bladzijden. Ze werden geruild met een aantal tijdschriften en weten­schappelijke instellin­gen. De door aankoop of ruil verkregen werken zijn in de bibliotheek van het Paleis der Academiën, Hertogsstraat 1 te Brussel gedeponeerd. Twintig exemplaren werden aan de wetenschappelijke centra van de Belgische universiteiten ten behoeve van onderzoekers en studenten ter be­schikking gesteld.

Inhoud

Jan Goossens, Een onfatsoenlijk woordgeografisch hoofdstuk en zijn nasleep

Léo Houziaux et Jean Germain, Toponymie de Celles-lez-Dinant

Florian Mariage, Potjevleesch à la tournaisienne. L’influence flamande sur les institutions locales du Tournaisis (XIIIe-XVIIe siècles)

Luc Van Durme, Uit de Oost-Vlaamse toponiemenkorf

Jozef Van Loon, Dorestad, de tweede klankverschuiving en St.-Kunibert

 

– De Vlaamse waternamen. Verklarend en geïllustreerd woordenboek. Deel I

Presentatie

Omdat het wegens de omvang van het werk en om budgettaire redenen niet mogelijk bleek de Vlaamse Waternamen in één publicatie te vatten, had de Vlaamse KCTD-afdeling reeds in 2015 besloten het werk in twee boekdelen en gespreid over 2 werkjaren af te leveren.
Het hydronymisch Werk 29, Deel 1 omvat bijgevolg slechts de waterlopen van de drie oostelijke provincies van het Vlaams en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het biedt een wetenschappelijk verantwoorde inventaris, beschrijving en (etymologische) verklaring van de waternamen – met opgave van de oudste attestaties en de ter zake betrouwbare literatuur. Het resultaat is een voor de leek leesbaar boek, dat ook voor de wetenschappelijke onderzoeker en de Vlaamse en federale overheden een nuttig werkinstrument is.

Op vrijdag 16 december 2016 had in het Paleis der Academiën te Brussel de presentatie plaats van Werk 29 (Deel 1) van de Vlaamse afdeling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie. De bijeenkomst werd voorbereid door José Cajot, Paul Kempeneers, Vic Mennen en Jacques Van Keymeulen. Tijdens de academische zitting werden bij deze gelegenheid drie lezingen gehouden.

 

dr. Karel Leenders, medeauteur en commissielid
De Accolade
Na een korte opfrissing van de lagereschoolkost i.v.m. de watercyclus, is het systeem van waterlopen, beken en rivieren in België – en meer speciaal in het gewest Vlaanderen – verkend, te beginnen met een overzicht van de stroomgebieden en waterscheidingen. Dit systeem wordt in hoofdzaak bepaald door een zeer oud geologisch gegeven: de voornaamste beken lopen parallel in noordnoordoostelijke richting de noordflank van het zeer oude Brabant-Londenmassief af. Oorspronkelijk stroomden ze ergens in het huidige Noord-Brabant uit in de toenmalige rivier de Maas. Later ontstond halverwege die flank een erosiedal. De rivieren strandden daarin en het verzamelde water stroomde zeewaarts af door deze Vlaamse Vallei, tot in de laatste ijstijd die uitweg geblokkeerd raakte en het water in het midden noordwaarts uitbrak langs Antwerpen. Zo ontstond een accolade-achtig rivierenpatroon. Een aantal details van deze ontwikkeling werd kort besproken, zoals de invloed van cuestas en de puinwaaier van de Maas (Kempisch Plateau) in Belgisch Limburg op de loop van de beken, rivieren en kanalen.

Daarna werd het water denkbeeldig gevolgd vanaf de oorsprong van een beek tot bij de kerncentrale van Doel, waarbij onderweg enkele naamkundige aspecten van landschappelijke beekdalfenomenen besproken werden. In de Kempen begonnen veel beken met een ‘rijt’ of ‘riet’ die in de namen van beekjes en velden daarnaast nog voortleeft. In de middeleeuwen moet het land veel natter geweest zijn dan nu. De beken waren toen een heuse hindernis. Als voorbeeld daarvan diende Merksplas dat een dorp van de Sint-Michielsabdij te Antwerpen was. Vanuit die kant was de toegang via de doorwaadbare plaats genaamd Papenvoort. Dat is nu een bruggetje over de rivier De Mark die op deze plaats niet meer is dan een flinke sloot! Waar het terrein wat meer geaccidenteerd is dreven veel beken een of meer watermolens aan. Heel wat beken heten daarom Molen-beek, -loop of -loper. Bij Nieuwmoer lagen zoveel turfvaarten dat de streek “Venetië” genoemd werd. In de zestiende eeuw was ook de stad Lier een klein Venetië met twee concentrische grachten en nog de twee Nete-takken die er samenkwamen. Vanaf het puntje van de accolade bij Rupelmonde verandert het karakter van de rivier in de brede machtige stroom van de Schelde.

 

dr. Vic Mennen, medeauteur en secretaris van de Vlaamse KCTD-afdeling,
“Waternamen: over gidsfossielen en valkuilen” In tegenstelling tot veldnamen, waarvoor de attestaties tot zeer ver in het verleden kunnen teruggaan, verschijnen de meeste hydroniemen – de namen van de belangrijkste waterlopen niet te na gesproken – pas in de bekende 18de en 19de-eeuwse cartografische bronnen, als de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden (1771–1777), de Atlas van de Buurtwegen (1841–1843), de kaarten van P. Popp (1842–1852), de kaarten van P. Vandermaelen (1845–1854), de Atlas van de Waterlopen (1877) en de kaarten van het Nationaal Geografisch Instituut. Vóór die tijd werden immers beken en grachten meestal aangeduid met o.m. beek en loop, appellatieven die tot vandaag de dag in de volksmond bleven leven.

Toen de overheid in de loop van de 19de eeuw niet alleen een kadastraal overzicht van de onroerende goederen met legger en tafel in België opstelde, maar enkele decennia later voor elke gemeente een waterlopenatlas met overzichts- en detailplannen liet opmaken, moesten ambtenaren op zoek naar een specifieke benaming voor elke waterloop. Ze waren dikwijls Franstalig, hadden weinig of geen terreinkennis en deden daarom een beroep op de lokale, dialectsprekende bevolking, bij wie ze namen noteerden zoals ze die dachten te horen. Voor de naamkundige, die anderhalve eeuw later de herkomst van een hydroniem wilde achterhalen, waren de valkuilen gegraven. Voorbeelden van corrupte vormen – en dus niet zomaar van gewone verschrijvingen – zijn dan ook legio. We beperken ons tot een paar voorbeelden. In Jeuk (LB) heet de Voortbeek, ‘de beek met een voorde of waterovergang’ bij Vandermaelen ‘Word Beek’. Voor Lommel neemt zowel Vandermaelen als de Atlas van de Waterlopen Klagloop op voor het correcte ‘Klachtloop’, een juridisch geïnspireerde naam voor een waterloop die aan inspectie van het onderhoud onderworpen was en waarbij tegen de boordeigenaar in geval van inbreuken een klacht werd ingediend. Corrupte vormen kunnen zelfs vandaag nog opduiken. De Schuttenbeek, een verwijzing naar het Schuttenberg in As waar de schuttersgilde haar oefeningen hield, wordt in de AW van 1877 correct gespeld, maar verschijnt in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA) van 2016 als Suttenbeek.

Anderzijds treden waternamen – zoals veldnamen – op als gidsfossielen, die in hun versteende vorm een belangrijke waarde hebben op het vlak van de spreiding, de betekenis en de vorm. Het macrotoponymisch onderzoek van de Vlaamse waternamen resulteerde in een aantal kaarten met de geografische spreiding van hydronymische grondwoorden. De kaart voor zouw ‘greppel’ (p. 368) toont een dichte aanwezigheid van het grondwoord in het oosten van Vlaams-Brabant en in Limburgse Haspengouw met een aantal uitlopers naar Midden- en Noord-Limburg en het noorden van de provincie Antwerpen. Op de kaart van rijt, oorspronkelijk de naam voor een afvoergracht, later voor het omliggende land, zet de Limburgse variant, riet, zich duidelijk af tegen de Brabantse tegenhanger met diftong. De Raambeek (Raamloop) ligt bij een terrein, destijds bezet met spanramen waarop de gevolde lakens te drogen werden gehangen. Niet zo in het oosten van Limburg, waar Raambeek, Raamloop en Raamziep ook ontwateringsgrachten konden (kunnen) zijn in venig moerasland, en aansluiten bij de Rijnlandse varianten Rahm (Room, Rohm, Rom), die op de linkerrijnoever en langs de Niers en de Lippe naar dezelfde bodemgesteldheid verwijzen (zie: H. Dittmaier, Rheinische Flurnamen. Bonn, 1963).

Bij de etymologische verkenning van waternamen wordt men gemakkelijk op het verkeerde been gezet als oude attestaties van het hydroniem of het bepalende bestanddeel ontbreken. Anderzijds zijn hydroniemen dragers van taalkundige, historische en historisch-landschappelijke informatie en nodigen ze uit tot interdisciplinair onderzoek. De naamkundige, de historicus en de historisch geograaf kunnen dan ook elkaar ontmoeten … in de naam van het water.

 

ir. Barbara Vael, afdelingshoofd Integraal Waterbeleid, Vlaamse Milieumaatschappij:
“Waterlopenbeheer: zaak van alle tijden”
Het beheer van de Vlaamse waterlopen wordt hoofdzakelijk bepaald door wetgeving die op Europees niveau is vastgelegd. Zo legt de kaderrichtlijn Water alle lidstaten op om zowel voor de waterlopen als voor het grondwater een goede kwalitatieve en kwantitatieve toestand te bereiken. Daarnaast bepaalt de “Overstromingsrichtlijn” dat het risico op overstromingen niet mag toenemen.vDe uitdagingen die hieruit voortvloeien voor het waterbeheer blijven groot.

Een belangrijk deel van de opdracht als waterbeheerder bestaat erin om de waterlopen goed te onderhouden door exotische waterplanten te verwijderen, in te grijpen bij overvloedige kruidgroei en zwerfvuil te verwijderen. Op plaatsen waar de goede waterafvoer wordt gehinderd, wordt slib geruimd.

In Vlaanderen blijven we niet gespaard van overstromingen. Ook in de toekomst kunnen we overvloedige regenval verwachten. Zowel de klimaatverandering als de toenemende verharding doen de kans op overstromingen toenemen. In Vlaanderen kiezen we voor een integrale aanpak, waarbij niet enkel de waterbeheerders inspanningen leveren, onder meer door accurate voorspellingen na te streven of infrastructuur op te bouwen; we rekenen ook op een goede ruimtelijke ordening en op inspanningen van de individuele burgers om hun woningen beter te tegen overstromingen beveiligen.

Gelukkig kan in vele Vlaamse steden meestal genoten worden van een kabbelend water in waterlopen en grachten. Door de slechte waterkwaliteit werden in het verleden veel beken ingekokerd en aan het zicht onttrokken. We maken in Vlaanderen actief werk van het herwaarderen van onze waterlopen, onder meer in Leuven en Diest.

Waterbeheer is sinds de jaren 1980 ook: aandacht voor natuur en milieu. We hopen zo de reeds goede kwaliteit verder te verbeteren en een waterkwaliteit die aan alle Europese voorwaarden voldoet, te halen.

 

Bibliografische gegevens

Paul Kempeneers, Karel Leenders, Vic Mennen & Bram Vannieuwenhuyze, De Vlaamse waternamen. Verklarend en geïllustreerd woordenboek. Deel I: De provincies Antwerpen, Limburg, Vlaams-Brabant en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Werk 29 van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie, Vlaamse afdeling. Uitgeverij Peeters, Leuven 2016. ISBN; 978-90-429-3343-9. Priis: 35 EUR.

 

– Tiré à part 12 de la Section wallonne de la CRTD

Wegens zijn inhoudelijke merites, het prominente auteurschap en de uitzonderlijke ontstaansgeschiedenis, werd het artikel “Toponymie du village de Celles” van Léo Houziaux en Jean Germain ook uitgegeven als Overdruk 12 van de Waalse KCTD-afdeling (ISBN: 978-90-429-3489-4).

 

Advisering

Inzake plaatsnaamgeving werden de leden van de Vlaamse afdeling van de Commissie in 2016 door talrijke gemeenten, culturele verenigingen en privépersonen geraad­pleegd. Vaak handelden de vragen ook over dialectkunde en persoonsnamen. Dit naamgevingsadvies verstrekten o.a. Frans Debrabandere in Brugge en Kortrijk, Paul Kempeneers in Tienen, Vic Mennen in Lommel, Jan Segers in Maaseik en Herk-de-Stad, Willy Van Langendonck in de Brusselse gemeenten Ukkel en Elsene, Karel Leenders in Breda.

Het Nationaal Geografisch Instituut, Abdij ter Kameren 13, 1000 Brussel, deed een beroep op de Commissie voor advies inzake schrijfwijze en vorm van toponiemen uit diverse Vlaamse gemeenten.

 

Internationale contacten en samenwerkingsverbanden

Vier leden van Vlaamse afdeling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (José Cajot, Jan Goossens, Vic Mennen en Jan Segers) verleenden hun organisatorische en inhoudelijke medewerking aan het 42e congres van de Vereniging voor Limburgse [= Belgisch- & Nederlands-Limburg] Dialect- en Naamkunde onder de titel “Dialectonderzoek en dialectcultuur in Limburg”. De druk bijgewoonde bijeenkomst had plaats m.m.v. Veldeke (Nederlands) Limburg op 19 november 2016 in Kasteel Groot Buggenum te Grathem (NL). José Cajot hield er de lezing: “De impact van de tweetonigheid op het Maastrichtse klinkersysteem”.

Op 10 juni werd ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Karel Leenders te Breda het colloquium “Historische geografie, geschiedenis, cartografie en archeologie” gehouden waarbij ook José Cajot, Luc De Grauwe, Magda Devos, Jan Goossens, Vic Mennen en Jan Segers aanwezig waren. De jubilaris hield er de lezing: “Het landschap als historisch bron”. De toen gehouden voordrachten werden gepubliceerd in het boek: G. van den Eynde & L. Toorians (red.), Op zand, veen en klei. Liber amicorum Karel Leenders bij gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag. Hilversum / Tilburg (Verloren, ZHC) 2016.

Vic Mennen gaf een dubbellezing in het Cultuurcentrum De Adelberg in Lommel op 9 en 16 februari 2017 over de geschiedenis van het Nederlands met als titel “Van olla uogala tot Goe(d) gebakken”.

José Cajot nam deel aan de regelmatige besprekingen van het Taal- (voornamelijk: Dialect-) platform in Roermond (NL), het Symposium Limburgse Woordenboeken in Venlo en vertegenwoordigde de Commissie op vergaderingen van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap te Maastricht en Voerendaal.
Op 15 april 2016 was hij in Aken te gast op de jubileumviering van de Euregio Maas-Rijn, en ’s anderendaags op de 43e Jahrestagung van de Belgische Germanisten- und Deutschlehrerverband in Eupen. Op 16.09.2016 nam hij deel aan het Kolloquium zu den Besonderheiten der Rechtsstellung der Deutschsprachigen Gemeinschaft (Eupen).

Luc De Grauwe en José Cajot meldden zich ook aan voor diverse bijeenkomsten in de Koninklijke Academie voor Taal-en Letterkunde (KANTL) te Gent, o.a. voor het colloquium over Vernacular Vitalities op 25 november 2016.

Op 16 november 2016 ontving Jan Goossens een Huldenummer van de Verslagen en Mededelingen van de KANTL te Gent; de laudatio werd uitgesproken door Ann Marynissen.
Jozef Van Loon hield tijdens dezelfde vergadering van de KANTL een lezing over de etymologie van de naam Dorestad en de gevolgtrekkingen daarvan voor de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van Nederland. De studie verscheen in de KCTD-Handelingen LXXXVIII (2016) onder de titel “Dorestad, de Tweede Klankverschuiving en St.-Kunibert van Keulen”. Aanwezig die dag waren eveneens: José Cajot, Luc De Grauwe, Frans Debrabandere, Magda Devos en Jan Segers.

Ann Marynissen heeft in 2016 verder de volgende lezingen gehouden: in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde te Gent op 16 maart 2016 onder te titel: “De Nederlandse familienamengeografie, 25 jaar later”; aan de Universiteit Antwerpen (26 april 2016) een gastcollege voor BA-studenten Nederlandse taal- en letterkunde, op uitnodiging van prof. dr. R. Vandekerckhove, getiteld: “Boekdrukkunst en standaardisering, het Nederlandse narrenschip”; aan de Universität zu Köln (9 juni 2016): Ringvorlesung aan het Cologne Center of Language Sciences “Sprache(n) sprechen und verstehen”.

In samenwerking met de provinciebesturen van Oost- en West-Vlaanderen en met de medewerking van verscheidene collega’s van de Vlaamse KCTD-afdeling, werkt Paul Kempeneers aan het tweede deel van de Vlaamse Waternamen – waarvan de publicatie in 2017 gepland is.

Karel Leenders presenteerde tijdens de studiemiddag “Landschap en Boerderijen, een blik op het rijke verleden van de Meierij” (12 november 2016 te Schijndel) zijn boek “De dynamische hoeve. Veranderingen in boerderijgebouwen en hun omgeving in de Meierij van 's-Hertogenbosch, 1662 – 2015.” In deze publicatie wordt behalve aan boerderijen en omringende beplanting, ook aandacht besteed aan het woordgebruik met betrekking tot constructiedelen van boerderijgebouwen, de gebouwen op het erf en de beplanting. Hij presenteerde dit onderwerp ook op 26 oktober bij de dienst Onroerend Erfgoed Vlaanderen te Brussel, en op 27 november bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort.

Jozef Van Loon hield op 16 november 2016 een lezing voor de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde te Gent over de etymologie van de naam Dorestad en de gevolgtrekkingen daarvan voor de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van Nederland. De studie verscheen in de KCTD-Handelingen LXXXVIII (2016) onder de titel “Dorestad, de Tweede Klankverschuiving en St.-Kunibert van Keulen”.

Jan Segers nam deel aan de studiedag “1000 jaar Graafschap Loon” (6 maart 2016 in Alden Biesen) en het ICAG-colloquium over Veldnamen (Leuven, 31 mei 2016. Voor de Femma-afdeling van Diest verzorgde hij een lezing over de lokale familienamen op basis van de laatste stedelijke bevolkingscijfers.

Reinhild Vandekerckhove liet haar deelnames in 2016 aan onderstaande conferenties als volgt optekenen:
PLIN Linguistic Day ‘Language and the new (instant) media’ (Université Catholique de Louvain, 12/05/2016): “Markers of expressiveness in informal computer-mediated communication: a corpus-based analysis of social and medium-related variation”.
8th International Conference on Youth Language (Graz, Karl-Franzens-Universität 26/05/2016), met Lisa Hilte & Jens Vercammen: “Flemish online teenage talk: Gender, age and medium patterns in new vernacular”.
4th Conference on CMC and social media corpora (Ljubljana, 28/09/2016) met Lisa Hilte & Walter Daelemans: “Expressiveness in Flemish online teenage talk: a corpus-based analysis of social and medium-related variation”.
Taal & Tongval colloquium (KANTL Gent, 25/11/2016) Vernacular vitalities: old-school dialects, contemporary koines and new urban speech styles: “Flemish online teenage talk and the synergy of old and new vernacular”.

Bram Vannieuwenhuyze gaf op 14 januari 2016 de presentatie “Another word on the wall: Durability of writings and buildings in late medieval and early modern Brussels” tijdens het congres Fleeting Testimonies of Urban Life. Graffiti and Other Transient Writings from Antiquity to the Present, georganiseerd door de Universiteit van Amsterdam. Op 22 januari 2016 verzorgde hij aan dezelfde universiteit de jaarlijkse Jansonius-lezing, getiteld “Jacob van Deventer, een cartograaf met een missie?”. Samen met Jan Dumolyn hield hij vervolgens de lezing Ten fine dat men mercken mach de goede navigatie. Brugse cartografie en commerciële ideologie in de zestiende eeuw” tijdens de Archiefcauserieën, georganiseerd door Levend Archief in Brugge (28 februari 2016). Deze lezing werd in uitgewerkte en Engelse versie (“So One Would Notice the Good Navigability: The Conception of Commercial Space in Late Fifteenth- and Sixteenth-Century Bruges”) ook gepresenteerd op de Sixteenth Century Society Conference te Brugge (18–20 augustus 2016); hier trad hij op met Bart Lambert en Jan Dumolyn.
Tijdens de 13th International Conference on Urban History (Helsinki, 24-27 augustus 2016) verzorgde Bram Vannieuwenhuyze twee presentaties: ‘La ville en puzzle. Continuités et discontinuités entre Bruxelles et sa périphérie au Moyen Âge’ (samen met Paulo Charruadas) en “From ‘lieu de mémoire’ to ‘pôles de mémoire’: remembering the urban hero Everard T'Serclaes in and around Brussels”. Op 23 september 2016 sprak hij zijn inaugurale rede uit als bijzonder hoogleraar historische cartografie aan de Universiteit van Amsterdam, met als titel “Geschud, maar nog niet gelegd. Oude kaarten, vergeten verhalen, nieuwe perspectieven”. Op 17 november 2016 hield hij tevens in Amsterdam de toespraak “Oude kaarten. Mooi om naar te kijken, moeilijk te bestuderen”, als onderdeel van de reeks Bijzondere Lezingen van de Universiteit van Amsterdam.

Jacques Van Keymeulen gaf samen met Liesbet Triest een lezing in Luxemburg op 10 juni 2016 op de 3de Digital Humanities Benelux Conference: The Dictionary of the Flemish Dialects goes digital. Op 3 november 2016 gaf hij de lezing “A short history of the Dutch Language” aan de English and Foreign Languages University (EFLU) in Hyderabad (India) – in het kader van de oprichting van een afdeling Nederlands aan die universiteit.

 

Met de meeste hoogachting,

 

Brussel, 31 december 2016

 

prof. dr. José Cajot
prof. dr. Jacques Van Keymeulen
algemeen secretaris algemeen voorzitter


1  L.L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, Gent, 1892. 

2  L. de Grauwe, Taal en Tongval 56 (2004), 226. 

3  Het woord komt blijkbaar voor het eerst voor in de Sassensoiegel in 1505: wittelike kinder en wint hi nimmermeer, mer kemp ende kempskinder

4  F. Debrabandere, ‘West-Vlaams keppe versus kempe’, in Een sextant voor een taalspecialist. Bijdrage tot Joost Buysschaert in profiel, [Gent], 2016, p. 97-100. 

5  L. de Grauwe, Taal en Tongval 60 (2008), 183.